Carnavalsvereniging

Ridders van de Katteköp

            Narrendom Haren

Lidnummer 0010

Carnaval als fenomeen

Terug

Carnavalsviering

‍De carnavalsviering is één grote aanwijzing voor het ontdekken van datgene waarin de mens zich bewust of onbewust te kort gedaan voelt.

‍De carnaval is de verklikker van het menselijk tekort, de onbewuste getuige van het menselijk streven, dat - zoals een Duits carnavalspamflet het uitdrukt - "mal nur Mensch sein". Men zou zeggen: een bescheiden verlangen. De feitelijkheid wijst anders uit. Het betekent een verlangen naar een gemeenschapsvorm die al het negatieve mist van de hedendaagse maatschappij.

‍De carnavalsviering is een feest van ongeëvenaarde heftigheid en felheid. Carnaval is dan ook "geen vlucht in het gemakkelijke". Er komt inderdaad inspanning, inspiratie en zelfs transpiratie aan te pas. Meer dan anders wordt er dialect gesproken en meer dan anders streeft men naar een ongecompliceerd "ohne Kultur"-leven.


‍De viering wordt ook gekenmerkt door de grote publieke belangstelling. Met carnaval kan men zich door de drukte soms nog slechts verticaal bewegen. Door muziek, dans en drank, maar vooral door de drukte ontstaat een geheel ander sociaal klimaat. De drukte maakt tegelijk intimiteit en de meest vluchtige contacten mogelijk. Een arbeider kan een biertje drinken met zijn burgemeester zonder dat dit gevolgen heeft voor de omgang met elkaar in het normale dagelijkse leven. De contacten zijn minder verfijnd, minder gecompliceerd, meer op de man af, minder conventioneel zonder direct familiair te worden.


‍Het contact vindt zijn doel in zich, is duidelijk onvoorbereid en niet op de toekomst gericht. De carnavalist leeft op het moment zelf en als carnavalist is men best geen toeschouwer, maar een "doener", een deelnemer aan het grote jaarlijks terugkerende publieke feest. Carnaval gedijt trouwens het beste op straat en niet in gesloten ruimten.


Er is geen aangenamer val dan een Carnaval.

Je valt namelijk naar boven. ’t Is een val in de blijheid.

Het duffe snoer dat je bindt aan het monotone springt kapot.

Je vat ’n pint, je vat er 2-3-4- je vat een vat en de

sleur heeft geen vat meer op je.

Het spettert muziek in de smalle straat, het regent

zoenen in het warme café, je danst, je doet, je dartelt

als ’n kind.

Je bent Zigeuner of Prins, Potkachel of Schemerlamp

en je bent … jezelf.

Je ontdekt de zin van de onzin, en als je niet oppast

heb je zodra de vasten begint “vasten verkering”.

(Toon Hermans)

Historiek

‍Carnaval is geen hedendaags fenomeen, integendeel, misschien bestaat carnaval al zolang als er mensen op de wereld bestaan. Allicht niet onder de vorm zoals we carnaval vandaag kennen, maar onder een ander gedaante of een ander ritueel.

‍Zoals bij zoveel gebruiken wordt bij het carnaval een relatie gelegd tussen het moderne naoorlogse feest en vergelijkbare verschijningsvormen van feesten in een ver verleden. De meeste populaire studies over het carnaval beginnen met een historisch overzicht dat tot ver voor Christus teruggaat. Maskerades, de tijdelijke opheffing van de sociale ongelijkheid, het instellen van een korte periode van chaos en uit het volk aangestelde schertskoningen die enkele dagen heersen; dit soort feestrituelen kwam uit het oude Babylon in Mesopotamie en uit Egypte, bij de Grieken, de Romeinen en de Germanen al voor.

‍In de historische verankering van het carnavalsfeest zijn grofweg twee stromingen te onderscheiden. Op de eerste plaats is er de visie van het feest als een van oorsprong heidens lentefeest met vruchtbaarheidsrituelen. Koning winter moest verdreven worden zodat de vruchtbaarheid na de winter kon keren.

‍In de middeleeuwen zou de katholieke kerk dit heidense feest gekerstend hebben en opgenomen in de liturgische jaarkalender.

‍Een tweede 'oorsprong'-verhaal gaat uit van de katholieke kerk als initiatiefnemer. Zij zou het feest in de middeleeuwen hebben ingesteld als overgangsritueel om de drempel naar de veertigdaagse vasten voor Pasen te verlagen. De vastentijd wordt voorafgegaan door een antischepping (carnaval) om zodoende de afkeuring van een leven met een puur aards karakter op te wekken. Hierdoor kon men de mensen enkele dagen heel concreet en aanschouwelijk tonen én laten ervaren wat het betekent als de duivel, heks, nar of antichrist (een woord dat ook in het Harense dialect terug te vinden is, namelijk "aantekries", wat zoveel betekent als "vervelend persoon") door het leven te gaan.

‍Het feest had dus een opvoedende functie voor de zogenaamde 'gewone gelovigen'. De Duitse volkskundige D.R. Moser is een belangrijke verdediger van deze stroming.


‍In de zestiende eeuw kwam aan de openbare en massale carnavalsviering uit de middeleeuwen een eind. De scheuring binnen het christendom als gevolg van de Reformatie, leidde tot een religieuze tweedeling. Boven de rivieren Maas en Rijn werd het protestantisme het dominante geloof, terwijl daaronder, dus meer zuidelijk, en dus ook in Vlaanderen het katholieke geloof overheerste.


‍In de zeventiende eeuw kreeg carnaval in Europa de overhand voor feesten die zich kenmerken door vermommingen, ommegangen, de instelling van een spotheerschappij met een eigen hiërarchie en uitbundig eten en drinken. In de middeleeuwen sprak men van de vastenavondviering, waarin men voor één keer luidruchtig kon feestvieren met veel spijs en drank om vervolgens vanaf Aswoensdag de Rooms-katholieke vastentijd in te gaan als voorbereiding op Pasen.


‍In één van de verklaringen voor het woord carnaval wordt de relatie tussen het uitbundige feest en de daarop volgende vasten gelegd: carne vale betekent "vlees vaarwel".

‍Een andere verklaring voor het woord bestaat uit de veronderstelde afleiding van carrus navalis, een scheepswagen die in de vastenavondtijd door de straten werd getrokken met aan boord vermomde feestvierders. Perfect vergelijkbaar met de huidige carnavalswagen.

‍Met uitzondering van een erg beperkt aantal plaatsen beneden de rivieren Maas en Rijn, waar in de negentiende eeuw de organisatie van carnavalsvieringen weer werd opgepakt, is de overgrote meerderheid van de carnavalsverenigingen opgericht na de Tweede Wereldoorlog.

‍In de twintigste eeuw heeft carnaval een ganse opflakkering gekend die eigenlijk in twee stappen gebeurde, namelijk een eerste golf begin de vijftiger jaren en vervolgens een tweede sterke uitbreiding vanaf het begin van de zeventiger jaren. Tot deze tweede groep behoort ook het carnaval in Haren.

‍Het tijdstip van de viering is afhankelijk van de wisselende datum waarop Pasen jaarlijks gevierd wordt. De zevende zondag voorafgaand aan paaszondag is de carnavalszondag. De wijze waarop de datum van Pasen bepaald wordt kan u terugvinden onder de hierna volgende rubriek "Carnavalseizoen".

‍Zodra carnaval in een stad of gemeente zijn intrede doet is het de Prins Carnaval, gesteund door de Raad van Elf, die de macht van de burgerlijke autoriteiten voor enkele dagen overneemt. De stad of de gemeente wordt dus een tijdelijk narrenrijk of narrendom.


‍Dit jaarlijks terugkerende carnavalspel voltrekt zich in een opeenvolging van vaststaande rituelen en wordt georganiseerd door de plaatselijke carnavalsverenigingen.


‍Aan de feitelijke carnavalsdagen gaat een periode vooraf, het voorseizoen genaamd, dat begint op 11 november tijdens welke allerlei voorbereidingen getroffen worden in het vooruitzicht van het feest op carnavalszondag. Zittingen worden georganiseerd, prinsen worden aangesteld, wagens worden gebouwd, liedjes worden geschreven, enz...

Carnavalseizoen

‍Carnaval


‍Het is ook niet toevallig dat het carnavalseizoen wordt ingezet op 11 november, het feest van Sint-Maarten, opnieuw 40 werkdagen voor een belangrijk kerkelijk feest, namelijk Kerstmis. Men sprak in de Gallische Kerk van de Epiphaniavasten of de "kleine vasten".

‍Het carnavalseizoen zit dus eigenlijk niet zo gek in elkaar. Immers in veel streken mocht de huisslacht alleen tussen Sint-Maarten (11 november) en Vastenavond plaats vinden. Daarbij speelde mee dat in deze koude periode waarin het voedsel schaars was, zeugen toch beter geen biggen konden krijgen. Het slachten van dieren paste perfect in de biologische jaarcyclus. Als de periode voor de slacht werd meestal het tijdstip gekozen waarop het varken het vetst was en het bewaren de minste problemen stelde.

‍In principe loopt het carnavalseizoen vanaf 11 november en eindigt op Aswoensdag. In vele plaatsen in België wordt het carnavalseizoen iets ruimer gezien en komt men dus ook vieringen tegen na Aswoensdag. Een voorbeeld hiervan is het carnaval in Haren, dat zijn toppunt bereikt tijdens het tweede weekend na Aswoensdag.

‍Voor een nog uitgebreider informatie betreffende de vele tradities in het carnaval, verwijzen wij graag naar de website www.fenvlaanderen.be onder rubriek "Het fenomeen carnaval".

‍Literatuur A.P. Van Gilst, Vastenavond en Carnaval. De geschiedenis van een volksfeest Veenendaal 1974? Theo Fransen, Carnaval ontmaskerd ? (Maasbree 1981) D.R. Moser, Fastnacht - Fasching -Karneval (Graz/Wenen/Keulen 1986) Carnaval. Themanummer van volkscultuur. Tijdschrift over tradities en tijdsverschijnselen 3, (1986) C. Wijers, Prinsen en Clowns in het Limburgse narrenrijk. (Amsterdam 1995) Knipselarchief Meertens Instituut


‍Bron: www.fenvlaanderen.be



‍Pasen


‍Het carnavalseizoen is door de vasten verbonden aan het kerkelijk jaar, namelijk 40 dagen voor Pasen. Daarom kan carnaval in principe op elke datum tussen 2 en 3 februari en 9 en 10 maart vallen. Men viert namelijk het Paasfeest op de 1ste zondag na de volle maan na 21 maart (vastgesteld op het concilie van Nicea, Klein-Azië in 325 na Christus).

‍De volle maan was noodzakelijk vanwege de pelgrimstochten die destijds plaats vonden naar heilige plaatsen. Zo konden de pelgrims er zeker van zijn dat ze de tocht, ook bij nacht, konden volbrengen. Het feest werd daardoor overal op hetzelfde tijdstip gevierd.

‍Vermoedelijk is Pasen dan ook - net zoals carnaval - een lentefeest dat volledig in het teken van de vruchtbaarheid staat. Eieren zijn daar nog steeds een symbool van. Een lentefeest is uiteraard afhankelijk van de seizoenen en ook met de omloop van de aarde om de zon (het tropisch jaar). Het feest werd niet alleen gekoppeld aan de zon, maar ook aan de maan: de omloop van de maan om de aarde (maanmaand). Nu is het zo dat er precies een afgerond aantal aan maanden in een tropisch jaar passen. Daardoor verschilt de datum van Pasen ieder jaar weer. En zo ook de paas-gerelateerde dagen zoals Vastenavond (40 dagen voor Pasen), Hemelvaart (40 dagen na Pasen).

De nar

‍Er mag aangenomen worden dat het ontstaan van de figuur van de nar, samenvalt met het ontstaan van onze beschaving. Vanaf het vroegste begin is de nar gedurende eeuwen de verpersoonlijking van de dwaasheid geweest, want de nar was degene die de werkelijkheid kantelde.


‍Of anders gezegd, de nar spiegelt of draait de alledaagse werkelijkheid om en is tegendraads of taboe doorbrekend. Ze zeggen waarheden die anderen heimelijk denken. Werkelijke dwazen ontbreekt dat vermogen vaak; bewuste dwazen spelen dat onvermogen vaak overdreven uit als spiegel.


‍Het beeld van de nar wordt vooral gevormd door zijn glorietijd. Deze liep van de middeleeuwen tot de laat in de zeventiende eeuw. Het standaardbeeld is dat van de nar met narrenkap met belletjes, vrolijke kleuren, te grote schoenen en de marot of zotskolf, een soort staf. In werkelijkheid droegen sommigen zwerverskleding en weer anderen adellijke gewaden. Ook stellen we de nar vaak voor met een klein misvormd uiterlijk, maar dit klopt lang niet voor allemaal.


‍Er waren grofweg twee soorten narren. De fysiek en geestelijk gehandicapten (gekken) en echte dwazen die ingehuurd of ingelijfd werden om te bespotten en zich over te vermaken. Als alles mis ging, waren zij het op wie men zich kon afreageren of men kon lachend vaststellen dat het nog erger kon. Daarnaast waren er de intelligente kunstenaars, vol woord of theatrale spitsvondigheid. Zij waren bewust van hun ambt en stonden zo tussen vorst en volk. Zij konden de vorst zeggen wat niemand anders durfde. Een rol die onze hedendaagse tonpraters op een subtiele wijze vertolken.


‍Uitgaande van het vorige is de energie van de nar veel wezenlijker dan algemeen verondersteld. Net als vroeger staat de nar immers voor ongevormde chaos, energie en levenskracht: manna. De kracht van de nar bevindt zich op metafysisch niveau. "Ze kunnen leven pompen in een verstarde samenleving, maar kunnen individuen die haar willen misbruiken ook verbranden." Een ieder die door een grenssituatie heen gaat, kan daarbij in een narrige fase komen, zeker in de ogen van de buitenwereld. In vroeger tijden achtte men dat normaal. Nu wordt ieders mogelijkheid om tijdelijk tot het narrige toe te treden vaak ontkent. Maar wie het narrige toelaat, creëert juist ruimte voor iets nieuws.


‍In de stukken van Shakespeare komt de nar regelmatig voor, zoals in King Lear.


‍De belangrijkste bron voor dit artikel is "Over narren en hun gespiegelde werkelijkheid" door A.C. Zijderveld.